Brandwonden v5

007094 v.5

Algemeen

Brandwonden worden onderverdeeld in eerste-, tweede- en derdegraads brandwonden. Eerstegraads en ondiepe tweedegraads brandwonden worden tot de oppervlakkige brandwonden gerekend. Bij een eerstegraads verbranding is alleen de epidermis aangetast en treedt erytheem op. Oppervlakkige tweedegraads verbrandingen, met weinig verlies van dermis, hebben als kenmerken blaarvorming en een egaal rozerood aspect. Bij diepe tweedegraads verbrandingen is sprake van afwisselend rode en wasachtige witte verkleuring, de diepere huidlagen blijven intact. Derdegraads verbrandingen worden gekenmerkt door volledige beschadiging van de dermis tot in de subcutis, het aspect is witgeel tot bruin-zwart.

N.B. Bij twijfel over de ernst van de verbranding geen “smeersels” aanbrengen, dit kan namelijk de diagnostiek bemoeilijken. In situaties met brandwonden bij kinderen en brandwonden die een groot oppervlak beslaan (minimaal de grootte van een hand), dient contact te worden opgenomen met het Brandwondencentrum van het Martini Ziekenhuis te Groningen.

Criteria voor verwijzing naar een brandwondencentrum
  • Brandwonden > 10% van het lichaamsoppervlak
  • Brandwonden > 5% van het lichaamsoppervlak bij kinderen
  • Derdegraads brandwonden > 5% van het lichaamsoppervlak
  • Brandwonden over functionele gebieden (gelaat, handen, genitalia, gewrichten)
  • Circulaire brandwonden aan hals, thorax en ledematen
  • Brandwonden gecombineerd met een inhalatietrauma of ander begeleidend letsel
  • Brandwonden ten gevolge van een ongeval met elektriciteit
  • Chemische verbrandingen
  • Brandwonden bij slachtoffers met een preëxistente ziekte
  • Brandwonden bij kinderen en bejaarden
  • Bij twijfel aan de vermelde ongevalstoedracht

Niet-medicamenteuze behandeling

De eerste maatregel bij brandwonden is: zo snel mogelijk koelen gedurende 10-20 minuten met, bij voorkeur, stromend kraanwater. Tot 3 uur na de verbranding kan koelen met stromend kraanwater nog worden overwogen ter verlichting van de pijn.
Laat blaren zoveel mogelijk intact (ook blaren op handpalmen of voetzolen). Grote blaren die hinder geven kunnen eventueel aan de rand worden doorgeprikt met een steriele naald, verwijder in dit geval ook het blaardak om infectie te voorkomen.

Eerstegraads

Eventueel een vet gaas.

Tweede- en derdegraads

Paraffinegaas, afgedekt met een tweede laag van hydrofiel of absorberend verband (vette gazen zonder siliconen toepassen)

Bij ontvelling (kapotte blaar/oppervlakkig tweedegraads): Mepilex®, dit is een siliconenverband, plakt niet op de wond.

Medicamenteuze behandeling

Overweeg of verwijzing naar de chirurg of spoedeisende hulp nodig is.

Pijnbehandeling
Zie het hoofdstuk Pijn.

Lokale behandeling
Er is onvoldoende bewijs voor de effectiviteit van soms toegepaste lokale middelen. Dit geldt ook voor zilversulfadiazine. Naast het bezwaar dat dit middel dagelijks zou moeten worden aangebracht, biedt het geen voordelen in vergelijking met andere verbandmiddelen en het is niet rationeel om een lokaal antibioticum te gebruiken bij een niet geïnfecteerde wond.

Afhankelijk van de aard en toedracht van de brandwond (contact met grond, straatvuil of mest) en de vaccinatiestatus van de patiënt, is tetanusprofylaxe aangewezen. Volg het stroomschema Tetanusvaccinaties bij wonden RIVM.

Referenties

1. Website Brandwondenstichting via https://brandwondenzorg.nl/brandwonden-verzorgen, geraadpleegd juni 2020
2. NHG – behandelrichtlijn brandwonden augustus 2016
3. Zelfzorgstandaard Wondjes, KNMP, geraadpleegd juni 2020
4. Huidziekten.nl Brandwonden, geraadpleegd juni 2020