Droge ogen v5

004701 v.5

Algemeen

Droge ogen is een vaak voorkomende aandoening (6-15%) die meestal op middelbare leeftijd begint, vaker bij vrouwen dan bij mannen, en die door tal van factoren veroorzaakt kan worden. Het kan veroorzaakt worden door verminderde traanproductie of toegenomen verdamping of ongelijkmatige traanfilmverdeling bij een onregelmatig hoornvlies.

Verminderde traanproductie kan optreden bij auto-immuunziekten, zoals de ziekte van Sjögren, reumatoïde artritis, de ziekte van Graves, sarcoïdose of SLE, maar ook bij hogere leeftijd (door involutie van de traanklier), diabetes mellitus en door medicatie. Geneesmiddelen(groepen) die droge ogen kunnen geven zijn: parasympaticolytica (bijvoorbeeld urologische spasmolytica), antipsychotica, antidepressiva, bètablokkers, orale antihistaminica, cytostatica, acetylsalicylzuur, lokale glaucoommiddelen, sommige lokale antihistaminica, botulinetoxine A, isotretinoïne, risedroninezuur, sommige antivirale middelen en de anti-epileptica pregabaline en topiramaat.

Toegenomen verdamping kan bestaan bij chronische blefaritis door meibomklierdisfunctie, waarbij de talg uit de meibomkliertjes vaak een hoger smeltpunt heeft en de uitvoergangen van de kliertjes verstopt raken. Meibomtalg is een belangrijke component van de traanfilm die bijdraagt aan de stabiliteit daarvan. Een instabiele traanfilm verdampt sneller waarbij klachten van droge ogen kunnen ontstaan. Toegenomen verdamping komt ook voor bij patiënten met een hoge leeftijd of contactlensgebruik of door externe factoren, zoals droge lucht, tocht of minder knipperen door lezen of beeldschermwerk.

Droge ogen kunnen leiden tot branderig, vermoeid, stekend, zanderig of korrelig, jeukend of drukkend gevoel. Ook komen fotofobie, dichtgeplakte oogleden, afname van visus en overmatig tranen voor. Droge ogen hoeven niet gepaard te gaan met roodheid, maar dit kan wel optreden als gevolg van irritatie van de conjunctiva door droogheid.

Medicamenteuze behandeling

  • De klachten kunnen worden verholpen door het gebruik van kunsttranen.
  • Er zijn geen gegevens beschikbaar over verschil in effectiviteit van de beschikbare kunsttranen.
  • Pas indifferente gel of druppels met conserveermiddelen niet vaker dan viermaal daags toe, omdat de conserveermiddelen (vooral benzalkonium) toxisch kunnen zijn voor het cornea-epitheel.
  • Oogzalf geeft langer bescherming, maar wazig zicht. Dit kan voor de nacht overwogen worden.

1 Hypromellose oogdruppels(Duratears), max. 4x daags 1 druppel
1 Carbomeer ooggel(Vidisic), max. 4x daags 1 druppel

Oogzalf: Paraffine/vaseline/wolvet (duratears Z), 0,5 cm zalf zo nodig

Oogdruppels zonder conserveermiddel
1 Hypromellose 0,3% minims, zo nodig elk uur 1 druppel
1 Carbomeer ooggel EDO (Vidisic), zo nodig elke uur 1 druppel

Oogdruppels (algemeen)
  • De meeste oogdruppels bevatten conserveermiddelen die, evenals de werkzame stoffen, overgevoeligheidsreacties kunnen veroorzaken.
  • Oogzalf bevat wolvet en ook dit kan aanleiding geven tot overgevoeligheid.
  • De meeste oogdruppels veroorzaken na toedienen een prikkelend effect in het oog.
  • Het verdient aanbeveling de traanbuis tijdens en direct na de toediening dicht te drukken gedurende 1-3 minuten of de ogen na toediening 1-3 minuten te sluiten.
  • Bij combinatie van meerdere soorten oogdruppels wordt geadviseerd een interval van minimaal 5 minuten aan te houden.
  • Zowel oogzalf als oogdruppels dienen in de onderste conjunctivaalzak aangebracht te worden.
  • Toedienen van meer dan 1 druppel tegelijk heeft geen zin omdat de conjunctivaalzak niet meer dan 1 druppel kan bevatten.
  • Als er sprake is van infectie of irritatie van het oog of de slijmvliezen mogen geen contactlenzen worden gedragen.
  • Ook bij medicamenteuze therapie dienen contactlenzen te worden uitgelaten, daar bestanddelen van het geneesmiddel zich in de lens kunnen ophopen.
  • Algemeen geldt dat oogdruppels en oogzalf als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd. Oogzalf en –gel in mindere mate geeft wel een tijdelijke afname van de visus.

Referenties

1. NHG-standaard Het rode oog M57, febr. 2006
2. Baudouin C. The pathology of the dry eye. Surv Opthalmol. 2001;45:211-20.
3. Schirra F,Sietz B, Knop N, Knop E. Sex hormones and dry eye. Ophthalmologe. 2001;106:988-94