Niersteenkoliek (urolithiasis)

004690 v.3

Algemeen

De klinische diagnose niersteenkoliek wordt gesteld bij acute, enkelzijdige pijn in de flank met bewegingsdrang en (vaak) gepaard gaande met hematurie. Kenmerkend is uitstraling van de pijn naar de lies en bij mannen naar de tip van de penis. De vorming van urinestenen vindt meestal plaats in de tubuli en papillae van de nier. Voor het ontstaan van stenen moet de concentratie van vrije ionen van het betreffende kristal(zout) het oplosbaarheidsproduct overschrijden. Er ontstaat oververzadiging en kristallisatie, de aggregatie van kristallen geeft steenvorming. Toestanden met verminderde diurese en/of verhoogde excretie van stoffen zoals calcium, aminozuren (cystine) of urinezuur bevorderen de kristallisatie. Men neemt aan dat gezonde personen over inhibitoren beschikken, die de aggregatie van kristallen verhinderen (magnesium, citraat, pyrofosfaten, AMP’s). Deze zouden bij ‘steenvormers’ onvoldoende/niet aanwezig zijn. Chronische urineweginfecties kunnen bij ‘steenvormers’ eveneens een pathogenetische rol spelen.

Acute fase: fase van de aanval tot de pijn beheersbaar wordt of de patiënt de steen loost.

Post-acute fase: fase waarin de diagnose urinesteenlijden wordt getoetst en het beleid op langere termijn wordt bepaald.

Niet-medicamenteuze behandeling

Acute fase:

  • Tijdens aanvallen niet teveel drinken

Post-acute fase:

  • Met veel drinken (1,5 – 2 liter) kan worden getracht steengroei of recidieven te voorkomen
  • Adviseer normale hoeveelheid calcium in het dieet

Medicamenteuze behandeling

1 Diclofenac (Voltaren)
2 Morfine